Verbergen

Coronavirus: het laatste nieuws voor het Amsterdamse Bos vindt u op amsterdamsebos.nl/coronavirus.

Brug 516, foto: Edwin van Eis

Bruggen in het Amsterdamse Bos

Het Amsterdamse Bos heeft een uitgebreid padennet voor voetgangers, fietsers en ruiters. Ook de waterpartijen en vele sloten vormen een belangrijk onderdeel van het Bos. Vandaar dat er maar liefst 116 bruggen in het Amsterdamse Bos te vinden zijn, vaak met een bijzonder ontwerp. Een fraaie bruggenroute leidt langs enkele karakteristieke exemplaren.

Start: De Boswinkel

Startpunt van deze bruggenroute is De Boswinkel. Ga vanaf hier richting de Koenensluis, ten noorden van de Bosbaan, aan het eind van de Hoornsloot.

Stop 1

  • Brug 592: hefbrug Koenensluis
  • Brug 591: betonnen brug met bankje
  • Brug 504 en 507: houten ophaalbruggen

Brug 504, foto: Marijke Mooy

Piet Kramer

Veel bruggen in het Amsterdamse Bos zijn van de hand van Piet Kramer (1881-1961). Piet Kramer was een van de belangrijkste architecten van de Amsterdamse School. Hij was de architect van De Bijenkorf in Den Haag en bouwde mee aan de beroemde gebouwen van woningbouwvereniging De Dageraad in Amsterdam Zuid. Het meest bekend is hij echter van de vele bruggen in Amsterdam.

Hij werd geboren in 1881 in een gezin van 5 kinderen. Zijn vader was arts maar ging in 1897 failliet. Hij sprak van zichzelf als een ‘straatschoffie’, leren was niets voor hem. Hij hing rond op bouwplaatsen.

Vanaf zijn 17e volgde hij een driejarige cursus bij de “Industriële School voor de Werkende Stand’. Hij werkte eerst bij timmerbazen en in 1900 kwam hij te werken op het atelier van de Eduard Cuypers, architect van o.a. het gebouw van het Algemeen Handelsblad aan de Nieuwezijds Voorburgwal en neef van de grote Pierre Cuypers. Cuypers had een groot kantoor en Kramer ontmoette er andere, latere Amsterdamse School-architecten, zoals Michel de Klerk en Joan van de Meij.

In 1911 ging hij weg bij het bureau van Cuypers en kwam hij in dienst bij de Dienst Publieke Werken van de Gemeente Amsterdam voor 3 dagen in de week. Vanaf 1916 was hij verbonden aan de afdeling Bruggen. Daarnaast had hij een eigen architectenbureau aan huis. Hij behield zijn vrijheid.

Naast architect was hij ook een ambachtsman: meubelmaker, grafisch vormgever en siersmid. Vooral dit laatste is van belang voor de bruggen in het Amsterdamse Bos.

Hij was ook een publiek figuur halverwege de vorige eeuw. Hij verkeerde in kringen van acteurs en van het toneel. Vooral na zijn scheiding in 1931 van zijn vrouw Johanna van der Weide. Hij hertrouwde met Nel Goetmakers, een klassieke zangeres.

Politiek was hij links, sociaal-democraat, en hij was ook in het geestelijk leven geïnteresseerd. Hij noemde zich aanhanger van het Soefisme, een ‘ondogmatische’ islamitische stroming. Maar ook was er sprake van Indiase invloed. Het veelvuldig gebruik van kompassen wordt hieraan toegeschreven.

De Bijenkorf uit 1926 was het hoogtepunt van zijn oeuvre en - zo bleek later - het eindpunt van de Amsterdamse School. De nieuwe zakelijkheid diende zich aan. Vanaf eind jaren twintig werd de Amsterdamse School-architectuur wat ouderwets gevonden. Toch ging de stroming nog lang door, zoals in het Bos te zien is.

In de jaren dertig droogde de opdrachtenstroom droogde op voor Kramer. In de oorlog was er een bouwstop. Kramer raakte uiteindelijk steeds meer geïsoleerd. In 1952 ging hij met pensioen en in 1957 werd hij opgenomen in Bloemendaal in een ziekenhuis voor geestelijke verzorging. Hij is overleden in 1961.

Brug 592: hefbrug Koenensluis

Deze brug is van 1952-1953. Het is een hefbrug, het wegdek kan in principe geheel omhoog. Er zijn maar weinig voorbeelden van dergelijke hefbruggen van Kramer. Dit is een kleine versie van dat type.

De brug overspant de Hoornsloot,  de verbinding tussen het Nieuwe Meer in het noordoosten en de Amstelveense Poel helemaal in het zuidwesten van het Bos. Daarbij is het goed te zien dat het waterpeil rond en in het Bos sterk varieert. Het Nieuwe Meer is -0,6 meter beneden NAP; de Hoornsloot (en de Amstelveense Poel) is - 1,7m beneden NAP; de Bosbaan is -4,5m NAP en de rest van het water in het Bos is – 5,5m NAP. Daarom zijn er naast de brug een sluis en ook een paadje om je kano mee naar beneden te nemen.

Speciale aandacht is op zijn plaats voor het smeedwerk van deze brug. Veel leuningen van de bruggen in het Bos zijn van smeedijzer, zoals ook hier. Kramers eigen kennis van smeden kwam hierbij van pas. Oorspronkelijk waren er ook smeedijzeren hekken voor de afsluiting.

Brug 591: betonnen brug met bankje

Deze brug is uit 1952, het is een betonnen boogbrug vlakbij een gemaal. Ook hier weer smeedijzeren leuningen met een fraai lusmotief. Het bankje naast de brug is bijzonder, zoals hier komt het niet vaker voor in het Bos, het is één samenhangend ontwerp.

Brug 504 en brug 507: houten ophaalbruggen

Dit zijn zo’n beetje de oudste bruggen in het Bos, ze zijn uit 1937. De 2 bruggen vormen een ensemble met de sluis en 2 gelijke ophaalbruggen bij de Bosbaan.

Bij het Nieuwe Meer is er sprake van een oud-Hollands polderlandschap: vandaar de ophaalbruggen om de overgang van bos naar polder aan te geven. Kramer ontwierp voor elke locatie in het Bos een brug, steeds in wisselwerking met de omgeving en locatie.

Kramer werkte aan de renovatie van de bekende Magere brug in stad over de Amstel; misschien gaf hem dat wel de kennis van dit soort ophaalbruggetjes.

Stop 2

  • Bruggen 512, 514 en 515: hekbruggen bij de Bosbaanweg – Nieuwe Meerlaan en het evenwijdig liggende fietspad.

Brug 512, foto: Edwin van Eis

De Kramerbruggen in het Bos

In het Bos heeft Kramer 78 van de 116 bruggen ontworpen, 53 daarvan staan op de gemeentelijke monumentenlijst van Amstelveen. De bruggen zijn aangelegd tussen 1937 en 1952.

Het zijn vaak bruggen in kleine, samenhangende series maar steeds verschillend. Er is een enorme variantie, ook in het materiaalgebruik. Sommige bruggen zijn van hout andere van baksteen of beton.

Bruggen 512, 514 en 515

Brug 514 en 515 zijn uit 1938; brug 512 is uit 1968. Deze bruggen zijn afsluitbaar zodat de Bosbaan geïsoleerd kon worden bij grote wedstrijden en dergelijke. Er is een functionele relatie met de zg. ballenbruggen (zie verder) die omhoog kunnen worden gehaald om de Bosbaan nog meer af te sluiten. De bruggen zijn in de originele kleuren met kleine details zoals de drietand bovenop.

Brug 514 en 515 zijn oorspronkelijke, door Kramer ontworpen bruggen. Brug 512 is relatief nieuw uit 1968; onder de brug worden 2 afvoerbuizen aan het zicht onttrokken.

In het Bos is sprake van een strikte functionele scheiding van wegen en paden. Er zijn voetpaden, fietspaden, ruiterpaden en een autoweg. Op die manier is het optimaal toegankelijk maar zou niemand hinder van elkaar moeten hebben. Ondertussen is de strikte scheiding tussen voetpad en fietspad min of meer opgeheven.

Stop 3

  • Bruggen 517 en 518: houten bruggen (bij de Berkenhoek); beide bruggen stammen uit 1938.

Het zijn voorbeelden van voetganger-/fietsbruggen. De 2 stromen zijn netjes gescheiden. Let op de rode afdekplaatjes van de balusters (staande delen), die zijn net weer anders qua vorm.

Stop 4

  • Brug 522: houten hekbrug (bij Grote Speelweide)
  • Brug 520: ballenbrug (een eindje van de hekbrug vandaan, links naar achteren brug 514)

De Amsterdamse School

De Amsterdamse School stond voor een bevrijding uit het classicisme. Dat had te maken met  ‘de verwoesting van Europa’ in de Eerste Wereldoorlog. De architect Berlage, van voor die oorlog, werd zeker geëerd maar niet nagevolgd. De architecten van de Amsterdamse School vonden zijn werk te rationeel, te weinig fantasievol.

De Amsterdamse School architectuur stond voor organische ontwerpen gebaseerd op de natuur, expressionistisch, romantisch en ook met veel fantasie. Met name in de brughekken en de versieringen van Kramer is dit te zien. Er is sprake van het loskoppelen van constructie en versiering. Het ging om een persoonlijk schoonheidsgevoel.

Er bestonden nauwe banden tussen de architecten van de Amsterdamse School en de Amsterdamse bestuurders en topambtenaren. Amsterdam wilde en heeft de Amsterdamse School een prominente plaats gegeven in de Volkswoningbouw.

Dit gold met name voor de Dienst Publieke Werken van de Gemeente Amsterdam: die dienst probeerde vanaf 1911 veel meer aan te sluiten bij de wensen vanuit de omgeving. Het ging daarbij om het woongenot van de stedeling, de beleving en het schoonheidsgevoel. Met name de architect Van der Meij bracht dit uiting in zijn woonblokken, bijvoorbeeld in de Spaandammerbuurt.

Kramer verzorgde het uiterlijk van de bruggen, de esthetische verzorging. Geen 2 bruggen in Amsterdam zijn hetzelfde qua verschijning. Maar in het Amsterdamse Bos wél. Hier is sprake van kleine series, zoals de ballenbruggen.

De hoogtijdagen van de Amsterdamse School lagen tussen 1916 en 1926. Een vrij korte periode dus. Maar de bruggen in het Amsterdamse Bos zijn jonger. De oudste zijn van 1937, en het bruggenprogramma van Kramer loopt door tot 1954.

Brug 522 Houten hekbrug (1938)

Het hek van deze brug diende om het er achter gelegen openluchttheater af te sluiten, ook een soort eiland in het Bos net zoals de Bosbaan. Deze brug heeft veel overeenkomsten met de hekbruggen 512, 514 en 515.

Balusters hebben bijzonder rode kapjes, de brug bevindt zich in zijn oorspronkelijke kleuren. De bankjes aan weerskanten zijn kenmerkend; ouders konden zitten terwijl hun kinderen speelden op de Grote Speelweide.

Brug 522, foto: Marjolijn Pokorny

Brug 520 Ballenkettingenbrug (1938)

Van deze bruggen is sprake van een serie van 5 stuks; een aantal bevinden zich dichter in de buurt van de Bosbaan. De bruggen zijn voornamelijk van hout maar het mechanisme is van staal. Het is een hijsconstructie met een stang met ballen. De ballen vormen het contragewicht, ze liggen in een houten goot waar de ballen één voor één in kunnen rollen. Dit idee komt van Bernard de Bélidor (1693-1761). Oorspronkelijk waren de bruggen onbeschilderd, wel waren de ballen blauw geverfd.

Stop 5

  • Brug 528: Houten brug (in de buurt van het gemaal, 1938).

Opvallend zijn de 4 hoge pijlers, met witte kapjes bekroond. De brug is geschikt voor zowel fietsers als voetgangers. De leuningen gaan over in een soort uitgestrekte armen, die je als het ware uit nodigen over te steken.

Stop 6

  • Brug 540: betonnen brug (richting Kleine Speelweide, 1939-1940).

Een voorbeeld van een betonnen brug, ook een materiaal waarin werd gebouwd in het Bos voor de meer doorgaande routes. Deze lichtblauwe brug is een voorbeeld van het kleurgebruik bij de bruggen van Kramer. Er zijn ook oranje, groene en beige bruggen. De leuningen grijpen aan het einde in elkaar.

Stop 7

  • Brug 546: de 'Klimopbrug' (in de Burgemeester A. Colijnweg, 1938).

De kern is van beton, bekleed met baksteen. De brug staat in het zuidelijk deel van het Bos en is geschikt voor autoverkeer, fietsers, voetgangers en ook paarden. Kramer ontwierp ook banken en aansluitende beplanting, bijvoorbeeld in plantsoenen. Hier zijn een soort plantenbakken (met klimop) geïntegreerd in het ontwerp. De vorm doet denken aan het voorsteven van een schip. Mooie details zijn te zien in de leuning.

Stop  8

  • Bruggen 558, 559, 560: de 'boerenbruggetjes' (uit 1953, ontwerp 1940).

Het zijn alle vrolijk gekleurde voetgangersbruggen met accenten in het donkere gedeelte. Er is sprake van de originele kleuren.

Brug 558, foto: Marjolijn Pokorny

Kleur bij Kramer

Kramer was verrassend in zijn kleurgebruik, dat is alleen nog te zien in het Amsterdamse Bos. In de rest van de stad zijn zijn bruggen over het algemeen in grachtengroen overgeschilderd.

De inspiratie voor de kleuren kwam uit Azië (Japan, China, Indonesië) maar ook uit Scandinavië. De Japanse invloed is bij deze bruggetjes goed te zien, niet alleen wat betreft kleurgebruik maar ook de vorm.

Stop 9

  • Brug 581 (linksachter de voormalige houtzagerij; uit 1954, ontwerp 1944).

Opvallend zijn de hoge balusters (staande delen) en ook hier weer de uitwaaierende ‘armen’.

Sculpturen bij Kramer

Kramer heeft altijd veel sculpturen in zijn bruggen verwerkt. Hij werkte intensief samen met de Amsterdamse stadsbeeldhouwer Hildo Krop. Voorbeelden zijn overal in de stad te vinden. In het Bos zijn er opvallend genoeg helemaal geen beelden aan de bruggen te bekennen. Wel zijn aan brug 581 'gehelmde hoofden' te herkennen.

Stop 10

  • Brug 582 en 583 (bij het Bloesempark; uit 1954, ontwerp 1944).

Deze bruggen liggen dicht bij elkaar en hebben een balustrade (liggend deel) aan één kant. De balusters (staand deel) zijn bijzonder: ze zijn bekroond met een art deco element. De randen van het wegdek hebben een opvallend zaagtandprofiel.

Stop 11

  • Brug 543: bakstenen brug (vlakbij ingang Oude Karsenlaan, 1940).

Brug 543, foto: Marjolijn Pokorny

Brug 543 De Vierwindenbrug

Deze brug is een forse van uitvoering: een beetje kasteel- of vesting-achtig. De brug bevindt zich dan ook vlakbij de entree vanuit Amstelveen. Bijzonder zijn de gemetselde ronde delen met erbovenop een granieten schijf waarop de windrichting is aangeduid. Dit is de enige brug waar hardstenen versiering op is aangebracht.

Stop 12

  • Brug 544: houten-betonnen brug (1939-1940).

Een gecombineerde brug voor wandelaars, fietsers en ruiters. Landhoofden (deel aan het land) zijn van beton, net als de verticale witte omhoogstaande delen. De functie is onduidelijk. Misschien dienden ze als waarschuwing of wellicht was het een plek voor een sculptuur?

Stop 13

  • Burg  569: betonnen brug (de Hartjesbrug; uit 1955, ontwerp 1940).

Zeer fraai zijn de details van het smeedwerk, de leuningen buigen omlaag en worden afgesloten met een hartje.

Brug 569, foto: Annemiek Stevenhagen

Brug 569 De Hartjesbrug

De brug is een aantal jaren geleden geschilderd. Het Bos ontvang 10.000 euro per jaar van Amstelveen om achterstallig onderhoud van de monumentale bruggen aan te pakken, daar kunnen we ongeveer 2 bruggen per jaar voor opknappen.

Stop 14

  • Brug 525: betonnen brug (in de Duizendmeterweg, 1938).

We zien hier weer een andere kleur: crème. Oorspronkelijk had deze burg houten brughoofden, nu zijn ze van beton. De relingen van de balustrades hebben verschillende lengtes en buigen af in een punt. De balusters (opstaand deel) grijpen in 2 ‘stappen’ van de ene balustrade naar andere.

Stop 15

  • Brug 527: betonnen brug (Duizendmeterweg, 1938).

Vergelijkbaar met brug 525 maar lichtblauw. Dit is de hoofdroute voor auto’s het Bos in; daarom is er sprake van stevige betonnen bruggen. De brug staat op houten jukken, betonnen landhoofd.

Stop 16

  • Brug 551: betonnen brug (bij Karnemelksegat, uit 1952, ontwerp 1940).

Een brug geschikt voor zowel paarden, fietsers, als voetgangers. De balustrade is met veel aandacht gemaakt: het zijn cirkels waarop 2 leuningen liggen. Weer een voorbeeld van de siersmeedkunst van Kramer.

Stop 17

  • Brug 549: ballenbrug (rode ballen, serie van 2; 1956).

Net als de blauwe ballenkettingbruggen dienden de ballenbruggen voor het afsluiten van een gebied namelijk de Bosbaan. Het brugdek kan omhoog met behulp van de 3 zware bollen, die functioneren als contragewicht. Je moet de brug met menskracht in beweging zetten.

Stop 16

  • Brug 508: houten brug (droge brug; 1938).

Dit is een bijzonder geval; de wandelaars lopen óver kanoërs heen. Je kon hier je kano van 'niveau Bosbaan' naar het waterniveau van het Bos (-4,5 naar -5,5) ‘overhalen’.  Het  water komt tot aan brug 508, maar niet eronder. De jukken (pijlers) hebben bijzondere details: de liggers hebben afgeschuinde koppen, tussen de jukken zit traliewerk en een soort houten 'tandwielen ter decoratie. Aan weerszijden van de balusters (staande delen) bevinden zich pijlvormige elementen. De kleur is niet origineel.